inheems-autochtoon plantgoed

Bij de Miyawaki-plantmethode, de plantmethode die gebruikt wordt bij de Buurtwildernis, worden alleen inheemse soorten gebruikt. En het liefst worden planten gebruikt die niet alleen inheems, maar ook inheems-autochtoon zijn. Maar wat betekent dat eigenlijk? En waarom is het belangrijk?

Om uit te leggen wat inheems en inheems-autochtoon is, gaan we een stukje terug in de tijd. Namelijk naar de laatste ijstijd, meer dan 10.000 jaar geleden. Toen lag er een dikke laag ijs op Nederland en waren er dus helemaal geen bomen. Alle soorten die we nu inheems noemen zijn na deze ijstijd op natuurlijke manier van het warmere zuiden naar Nederland gemigreerd doordat ze steeds noordelijker konden overleven. Zo’n proces gaat erg langzaam en de genetische opbouw van de soort past zich hierbij geleidelijk aan aan het gebied waar het naartoe migreert; de zaadjes met de meest passende genen overleven en planten zich verder voort. Zo ontstaat de situatie dat een eik die in Polen is uitgekomen genetisch anders in elkaar zit dan een Nederlandse eik. De eik als soort is dan inheems voor Nederland, maar alleen de eik met de genetische opbouw die hoort bij Nederland is hier inheems-autochtoon.

Inheems-autochtone bomen zijn de wilde bomen die van nature in een gebied voorkomen. De meeste bomen in ons land zijn gekweekt en aangeplant. Naar schatting is nog maar minder dan drie procent van de bomen en struiken in Nederland inheems-autochtoon (Van Kemanade & Maes, 2019).

genetische biodiversiteit

Er zijn verschillende redenen waarom het interessant is de specificatie inheems-autochtoon te maken. De eerste is de genetische biodiversiteit. Om dit begrip goed uit te leggen wil ik eerst even uitzoomen, naar het bredere begrip biodiversiteit. Het gaat tegenwoordig erg vaak over biodiversiteit, maar het begrip wordt niet zo vaak goed uitgelegd. Dat wil ik hier in het kort doen. Biodiversiteit is eigenlijk drieledig. Het bestaat uit ecosysteemdiversiteit, soortendiversiteit en genetische diversiteit. Ik zal deze delen hieronder toelichten.

Ecosysteemdiversiteit is – zoals het woord al doet vermoeden – de diversiteit aan ecosystemen. Een korte definitie van de term ecosysteem is een verzameling van levensgemeenschappen van planten, dieren, micro-organismen en hun niet-levende omgeving dat een geheel vormt en voortdurend in interactie is met elkaar (Ecopedia, sd). Denk bijvoorbeeld aan een loofbos (Ecopedia, sd), een koraalrif of een woestijn (Wikipedia, sd). Hoe meer verschillende ecosystemen er zijn op de aarde of in een groot gebied, hoe groter de ecosysteemdiversiteit daar is.

Niet geheel verrassend is soortendiversiteit de diversiteit aan verschillende soorten. Dit kan zijn binnen een ecosysteem, maar ook in het algemeen. Als het in de media gaat over biodiversiteit wordt vaak deze soort diversiteit aangehaald en gaat het over het uitsterven van diersoorten. Maar biodiversiteit is dus een breder begrip waar ook ecosystemen en genetische diversiteit onder vallen.

De genetische diversiteit gaat over de diversiteit binnen soorten. Hier gaat het dus bijvoorbeeld om het verschil tussen die Poolse en die Nederlandse eik waar ik het eerder over had. Zo is er binnen elke soort een variatie aan eigenschappen en kenmerken, die in bepaalde omstandigheden wel of niet van pas komen. En daarmee raak ik ook het belang van biodiversiteit. Alle diversiteit betekent dat er een variatie is aan eigenschappen en kenmerken die soms wel en soms minder van pas komen. Maar als de situatie verandert – wat uiteindelijk altijd gebeurt – dan kunnen de kenmerken die eerder niet perse heel handig waren opeens het verschil maken. Meer variatie betekent dus meer resistentie tegen veranderingen. Zeker in deze tijd van klimaatverandering is deze veerkracht van groot belang.

In natuurlijke populaties is de diversiteit aan genetisch materiaal binnen een soort veel groter dan in gekweekt materiaal (Van Kemanade & Maes, 2019). Dit is ook logisch want gekweekte planten worden uitgezocht op bepaalde eigenschappen, en dus bepaalde genen, die worden doorgekweekt. Hierbij gaan andere eigenschappen verloren. Het is van cruciaal belang het wilde, inheems-autochtone materiaal te behouden, om eigenschappen te behouden waar niet op gekweekt wordt, maar die wel nodig zijn om met de veranderingen in omstandigheden om te kunnen gaan.

aansluiting in het ecosysteem

De volgende reden voor het belang van het behoud van inheems-autochtoon materiaal is de aansluiting in het ecosysteem. Dit is mooi te illustreren met het voorbeeld van de sleedoorn. De Nederlandse sleedoorn bloeit aan het eind van de winter. Dit is later dan bij sleedoorns uit meer zuidelijke gebieden. Toch is de sleedoorn in Nederland vaak de eerst boom die bloeit. Er zijn vlinders die hier gebruik van maken en ontpoppen in de bloeitijd van de sleedoorn. Zo ontwijken ze concurrentie, aangezien veel insecten wachten met ontpoppen tot er meer planten bloeien. Wel zijn de vlinders op deze manier afhankelijk van de sleedoorn voor hun voortbestaan. Staan er bijvoorbeeld zuidelijke sleedoorns in de buurt in plaats van Nederlands inheems-autochtone, dan is de bloeitijd al voorbij wanneer de poppen uitkomen. De poppen hebben dan geen voedsel en de vlinders kunnen zich niet voortplanten. Dit is een belangrijke bedreiging voor deze vlindersoorten in Nederland (Staatsbosbeheer, sd).

Nu is het niet altijd zo dat de invloed van de genetische opbouw van een boom of struik op de aansluiting in het ecosysteem zo duidelijk is als bij de sleedoorn. Eigenlijk weten we meestal niet precies hoe de interacties tussen de verschillende planten en dieren precies werken. Toch geeft dit voorbeeld wel aan hoe belangrijk de genetische opbouw van een boom of struik kan zijn. En genetisch materiaal dat verloren is gegaan krijgen we niet zomaar terug. Dus juist omdat we de interacties en afhankelijkheden niet goed kennen, kunnen we ons niet veroorloven het inheems-autochtoon materiaal te verliezen. Wie weet wat we dan stuk maken!

kwaliteit

De laatste reden om inheems-autochtoon materiaal te behouden is de kwaliteit ervan. Er is helaas niet veel onderzoek naar dit onderwerp. Maar uit het onderzoek dat is gedaan blijkt dat inheems-autochtoon plantmateriaal op verschillende punten beter is van kwaliteit dan “conventioneel” plantgoed. Zo is er onderzoek uit Groot-Brittannië waaruit blijkt dat inheems-autochtone meidoorns beter bestand zijn tegen vraat, meeldauw en vorst en dat ze een betere hoogtegroei hebben (Jones, Hayes, & Sackville Hamilton, 2001). Uit ander (Duits) onderzoek blijkt dat ook de inheems-autochtone kardinaalsmuts minder wordt aangetast door meeldauw (Kraus, 2003). Nog weer ander Duits onderzoek onderzocht negen verschillende soorten bomen en struiken (Vollrath, 2006). Uit dit onderzoek blijkt dat bij het inheems-autochtoon plantmateriaal minder uitval is. Dat betekent dat meer van de boompjes bleven leven nadat ze ergens waren geplant. Bij de niet-autochtone boompjes was er meer uitval en die boompjes moesten dan vervangen worden. Daardoor was niet-autochtoon uiteindelijk duurder, ondanks dat autochtone boompjes per stuk duurder zijn. De overlevingskansen van de autochtone boompjes waren vooral hoger door de betere wortels; ze konden beter tegen de droogte.

Als je je realiseert dat niet-autochtoon materiaal over het algemeen opgekweekt is en dat autochtoon materiaal “wild” is, dan is ook wel te begrijpen dat autochtoon materiaal bijvoorbeeld betere wortels heeft. De boompjes in het wild moeten immers helemaal zelf overleven en de individuen die dat niet kunnen, krijgen minder nakomelingen (evolutie). Bij gekweekt materiaal zoeken mensen de bomen uit waarvan ze willen dat deze overleven en helpen ze deze boompjes ook overleven. Dat betekent dat ook de individuen die in het wild niet zouden kunnen overleven dat wel doen. In sommige gevallen is gekweekt materiaal prima, of heeft het zelfs de voorkeur. Bijvoorbeeld als je bomen wilt laten groeien om zoveel mogelijk planken van te maken. Maar als je sterke en gezonde bomen wilt, die het beste passen in een ecosysteem, dan is inheems-autochtoon materiaal het beste. Daarom kiezen we inheems-autochtoon materiaal voor een Buurtwildernis. Uit een Buurtwildernis willen we geen planken halen. We willen dat daar zoveel mogelijk beestjes in kunnen leven Dat de bomen zo gezond mogelijk blijven zonder veel beheer of onderhoud. En ook bij veranderende klimaatomstandigheden.

verwijzingen

Ecopedia. (sd). Ecosysteem. Opgeroepen op januari 13, 2022, van ecopedia.be: https://www.ecopedia.be/encyclopedie/ecosysteem

Jansen, P., & Boosten, M. (2017). Bestellen van bosplantsoen. Handvaten voor de praktijk. Wageningen: Stichting Probos.

Jones, A., Hayes, M., & Sackville Hamilton, N. (2001). The effect of provenance on the performance of Crataegus monogyna in hedges. Journal of Applied Ecology, 38, 952-962. Opgehaald van https://besjournals.onlinelibrary.wiley.com/doi/pdf/10.1046/j.1365-2664.2001.00650.x

Kraus, G. (2003). Autochthone Gehölze - Ökologisch und ökonimisch sinnvoll. Deutsche Baumschüle, (3), 31-33.

Staatsbosbeheer. (sd). Biodiversiteit. Opgeroepen op december 16, 2021, van staatsbosbeheer.nl: https://www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/dossiers/zaden-en-plantmateriaal/feiten-en-cijfers-zaden-plantmateriaal/feiten-en-cijfers-biodiversiteit

Van Kemanade, L., & Maes, B. (2019). Behoud groen erfgoed. Plan voor het behoud van bedreigde wilde bomen en struiken in Nederland. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Opgehaald van https://www.cultureelerfgoed.nl/binaries/cultureelerfgoed/documenten/publicaties/2019/01/01/behoud-groen-erfgoed/Brochure+Behoud+groen+erfgoed_LR.pdf

Vollrath, B. (2006). Autochtonie in Praxistest. AFZ Der Wald, 61 (8), 435-437.

Wikipedia. (sd). Ecosysteem. Opgeroepen op februari 2, 2022, van Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Ecosysteem